Betaling vorderen in kort geding?

  • dinsdag 20 november 2012 | Marketing afdeling

Normale dagvaardingsprocedures kunnen lang duren en zijn vaak kostbaar. Veel rechters / gerechten hebben namelijk te kampen met achterstanden in het onderhanden werk. Dit is één van de redenen dat wij vaak adviseren om de faillissementsaanvrage als incassomiddel in te zetten. Dat werkt immers snel, is goedkoop en er komt snel duidelijkheid. Een debiteur die een erkende vordering niet betaalt, zal veelal liquiditeitsproblemen hebben. Voor een debiteur is het dan ‘hom of kuit’.

Meestal leent een faillissementsaanvrage zich echter niet voor de behandeling van een (deels betwiste) zaak. In gevallen waarin te verwachten is dat uw debiteur bij een faillissementsaanvraag de vordering (alsnog) betwist, kan het raadzaam zijn eerst een vonnis te halen. Ook kan het soms moeilijk zijn om steunvorderingen in het kader van de faillissementsaanvrage te vinden. Er is een andere (snelle) mogelijkheid: in kort geding betaling vorderen van een geldvordering.

Het kort geding wordt in de praktijk veel gebruikt om een voorlopige uitspraak van een rechter te krijgen. De normale regels van het bewijsrecht zijn in een kort geding niet van toepassing. Dit zorgt ervoor dat het kort geding een relatief vormvrije procedure is. De zaak moet echter wel geschikt zijn, dus de zaak mag feitelijk en juridisch niet (te) ingewikkeld zijn. Ook moet de eisende partij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Dit betekent dat de uitkomst van een normale bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

Uiteraard moet het spoedeisend belang zodanig zijn, dat op korte termijn een voorlopige voorziening nodig is. Uw vordering zal door een rechter op een vaste wijze worden getoetst: een vordering dient te bestaan en in omvang in hoge mate aannemelijk te zijn en de vordering dient vereist te zijn uit hoofde van een aannemelijk gemaakt spoedeisend belang. De vordering moet dus zijn erkend, niet zijn betwist of in redelijkheid niet te betwisten zijn.

In kort geding zal een rechter altijd een belangenafweging maken. Dit is enerzijds het gestelde spoedeisende belang en anderzijds het belang van de debiteur dat deze niet wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag, waarvan achteraf blijkt dat dit niet verschuldigd was. Het belang van de eisende partij zal veelal zijn gelegen in het verkrijgen van zekerheid van betaling, voordat het geld door de wederpartij eventueel wordt onttrokken aan haar vermogen. Anderzijds zal het belang van de eiser zijn dat hij mogelijk het geld zelf op korte termijn nodig heeft.

In de praktijk zien wij steeds vaker dat als de vordering wordt erkend, niet wordt betwist of in redelijkheid niet betwist kan worden, de rechter een vordering in kort geding toewijst. Met dat vonnis in de hand kan daarna snel tot executie worden overgegaan. Het kort geding kan dus, als de zaak daar aanleiding toe geeft, een uitstekende mogelijkheid zijn om een vordering op korte termijn tegen (relatief) geringe kosten te incasseren. Ook kan eventueel daarna tot faillissementsaanvrage worden overgegaan van een in rechte vastgestelde vordering.

Ook zal als gevolg van het incasso kort geding, veelal alsnog een minnelijke regeling met de debiteur getroffen kunnen worden. Als de vordering terecht is, dan zal de rechter er immers op wijzen dat de debiteur aan zijn verplichtingen dient te voldoen. Doet hij dat niet vrijwillig, dan zal de rechter een vonnis wijzen waarin de debiteur wordt veroordeeld om te betalen. Met dit vonnis kan vervolgens tot executie worden overgegaan. Er kan bijvoorbeeld beslag op voorraad, onroerend goed of onder de bank worden gelegd.

Ga naar het onderwerp:

Reageren