Bodembeslag Belastingdienst versus bodemverhuurconstructie pandhouder

  • donderdag 29 november 2012 | Marketing afdeling

Nadat het enkele jaren relatief stil is geweest omtrent het onderwerp van de zogeheten bodemverhuurconstructie is er de laatste tijd een aantal uitspraken gedaan. Onder andere door Rechtbank Den Haag (LJN BU3350), waarin zich het volgende afspeelde.

Door B werd een boekbinderij geëxploiteerd. A heeft terzake een machine een huurkoopovereenkomst gesloten met B, waarin staat dat zolang B niet volledig betaald heeft, de eigendom van de machine bij A blijft. De machine is door B geplaatst in een gehuurd bedrijfspand. Op enig moment heeft de bank aan B te kennen gegeven het stil pandrecht op alle aan haar verpande roerende zaken te willen omzetten in vuistpand. Zulks door middel van de zogeheten bodemverhuurconstructie. In dat verband werd tussen B en het door de bank ingeschakelde taxatiebureau (hierna T) een huurovereenkomst gesloten. T heeft de ruimte van B gehuurd. B heeft vervolgens haar bedrijfsactiviteiten gestaakt en de volgende dag is B failliet verklaard.

De belastingdienst heeft zich de toegang verschaft tot het pand en heeft bodembeslag gelegd, onder andere op de machine van A. Hiertegen heeft A beroep aangetekend. Dat is afgewezen door de belastingdienst, waarna A de belastingdienst en de curator heeft gedagvaard. De belastingdienst heeft zich op het standpunt gesteld dat A geen bescherming genoot, omdat er geen sprake was van reële eigendom. Die situatie doet zich voor als de roerende zaken zowel juridisch als economisch eigendom zijn en blijven van de huurverkoper. De rechtbank heeft overwogen dat bij zaken, die in huurkoop zijn geleverd, geen sprake is van reële eigendom. Daarbij stelt de rechtbank dat uit de bepalingen van de overeenkomst tussen A en B volgt dat de machine vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst in alle opzichten voor rekening en risico van B zou komen en dat B ook voor verzekering diende zorg te dragen.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat er ten tijde van de beslaglegging sprake was van een gemeenschappelijke bodem, aangezien er ook zaken van B en van derden in de door T van B gehuurde productieruimte aanwezig waren. Ook werd de overige bedrijfsruimte nog door B gebruikt en had de curator toegang tot de door T gehuurde ruimte. De rechtbank oordeelt dat de bodemverhuurconstructie niet is geslaagd, en dat het bodembeslag doel heeft getroffen.

Wetswijziging

In het belastingplan 2013 wordt een nieuw artikel toegevoegd aan de Invorderingswet 1990: artikel 22bis. In lid 2 van dat artikel is opgenomen dat houders van pandrechten of overige derden, die geheel of gedeeltelijk recht hebben op een bodemzaak, gehouden zijn de belastingdienst mededeling te doen van het voornemen hun rechten met betrekking tot deze bodemzaak uit te oefenen, dan wel van het voornemen enigerlei andere handelingen te verrichten of te laten verrichten waardoor die zaak niet meer kwalificeert als bodemzaak. Dit vergroot de kans aanzienlijk dat juridisch eigenaren de belastingdienst voor zich moeten dulden.

Het betreft een onderdeel van de nieuwe belastingplannen zoals die op Prinsjesdag zijn voorgesteld, waarbij beoogd wordt dit per 1 januari 2013 in te voeren. In de volgende nieuwsbrief zullen we verder ingaan op de consequenties van deze wetswijziging voor het leverancierskrediet.

Reageren